Werken met vensters
In dit artikelAls u een programma, een bestand of een map opent, wordt dit op uw scherm weergegeven in een vak of een kader dat een venster wordt genoemd (hieraan ontleent het Windows -besturingssysteem zijn naam. Het Engelse woord windows betekent immers vensters). Het is belangrijk dat u begrijpt op welke wijze u deze vensters kunt verplaatsen, hoe u het formaat van deze vensters kunt wijzigen en hoe u deze vensters kunt sluiten omdat u overal in Windows vensters tegenkomt.
De onderdelen van een venster
Hoewel de inhoud van de afzonderlijke vensters verschillend is, hebben alle vensters toch een aantal zaken met elkaar gemeen. Zo worden vensters altijd op het bureaublad weergegeven. Dit is het belangrijkste werkgebied op het scherm. Daarnaast zijn de meeste vensters voorzien van een aantal basisonderdelen:
 |
| Onderdelen van een standaardvenster |
| • | De titelbalk. Op de titelbalk wordt de naam van het document en het programma weergegeven (of de naam van de map als u in een map werkt). |
| • | De knoppen Minimaliseren, Maximaliseren en Sluiten. U kunt deze knoppen gebruiken als u respectievelijk het venster wilt verbergen, vergroten, zodat het volledige scherm wordt gevuld, en sluiten (deze opties worden verderop uitgebreider beschreven). |
| • | De menubalk. De menubalk bevat items waarop u kunt klikken om keuzes in een programma te maken. Zie Menu's, knoppen, balken en vakken gebruiken. |
| • | De schuifbalk. U kunt de schuifbalk gebruiken als u door de inhoud van het venster wilt schuiven, zodat u informatie kunt weergeven die zich momenteel buiten de weergave bevindt. |
| • | Randen en hoeken. U kunt de randen en hoeken slepen met uw muiswijzer als u het formaat van het venster wilt wijzigen. |
Sommige vensters zijn mogelijk voorzien van andere knoppen, vakken of balken. In de meeste gevallen bezitten dergelijke venster eveneens de basisonderdelen.
Een venster verplaatsen
Als u een venster wilt verplaatsen, wijst u de titelbalk ervan aan met de muisaanwijzer
. Vervolgens sleept u het venster naar de gewenste locatie. (Slepen houdt in dat u een item aanwijst, dat u vervolgens de muisknop ingedrukt houdt terwijl u het item met de muiswijzer verplaatst en dat u ten slotte de muisknop weer loslaat.)
Het formaat van een venster wijzigen
| • | Als u wilt dat een venster het gehele scherm vult, klikt u op de knop Maximaliseren of dubbelklikt u op de titelbalk van het venster. |
| • | Als u een gemaximaliseerd venster wilt terugzetten op het vorige formaat, klikt u op de knop Vorig formaat (deze wordt weergegeven in plaats van de knop Maximaliseren). U kunt ook dubbelklikken op de titelbalk van het venster. |
| • | Als u het formaat van een venster wilt wijzigen (met andere woorden, als u het venster groter of kleiner wilt maken), wijst u een van de randen of hoeken van het venster aan. Zodra de muiswijzer verandert in een pijl met twee punten (zie de volgende afbeelding), sleept u de rand of hoek, zodat het venster groter of kleiner wordt.  | | Sleep een rand of hoek van een venster als u het vensterformaat wilt wijzigen |
Het formaat van een gemaximaliseerd venster kan niet worden gewijzigd. U moet daartoe eerst het vorige vensterformaat herstellen. |
Een venster verbergen
Het verbergen van een venster wordt minimaliseren genoemd. Als u een venster tijdelijk wilt verwijderen, zonder dit te sluiten, kunt u het desbetreffende venster minimaliseren.
Als u een venster wilt minimaliseren, klikt u op de knop Minimaliseren
Het venster verdwijnt vervolgens van het bureaublad en wordt alleen nog weergegeven als een knop op de taakbalk. De taakbalk is de horizontale balk die onder aan het scherm wordt weergegeven.
 |
| Een knop op de taakbalk |
Als u een geminimaliseerd venster opnieuw op het bureaublad wilt weergeven, klikt u op de knop van het desbetreffende venster op de taakbalk. Het venster wordt opnieuw op exact dezelfde wijze weergegeven als dat het geval was voordat u het venster minimaliseerde. Zie De taakbalk (overzicht) voor meer informatie over de taakbalk.
Een venster sluiten
Als u een venster sluit, verwijdert u dit venster van het bureaublad en de taakbalk. Als u klaar bent met een programma of een document en als u het programma of document niet onmiddellijk opnieuw hoeft te gebruiken, kunt het venster sluiten.
Als een venster wilt sluiten, klikt u op de knop Sluiten
Schakelen tussen vensters
Als u meerdere programma's of documenten hebt geopend, raakt uw bureaublad mogelijk aI snel bedolven onder een wirwar van vensters. Bijhouden welke vensters er zijn geopend, is niet altijd een even eenvoudige zaak omdat sommige vensters geheel of gedeeltelijk door andere vensters worden bedekt.
De taakbalk gebruiken. De taakbalk biedt u een methode waarmee u alle geopende vensters kunt ordenen. Elk venster wordt vertegenwoordigd door een knop op de taakbalk. Als u naar een ander venster wilt schakelen, klikt u op de knop van het desbetreffende venster op de taakbalk. Het venster wordt hierna voor alle andere vensters weergegeven en wordt daardoor het actieve venster, dat wil zeggen, het venster waarin u momenteel werkt.
 |
| Als u op de knop Rekenmachine op de taakbalk klikt, wordt het bijbehorende venster op de voorgrond weergegeven |
Als u een venster op een eenvoudige manier wilt identificeren, wijst u de bijbehorende knop op de taakbalk aan. Vervolgens wordt er een kleine afbeelding, een zogeheten miniatuurweergave weergegeven waarin een kleine versie van het desbetreffende venster is afgebeeld. Dit voorbeeld kan bijzonder nuttig zijn ingevallen waarin u niet in staat bent om de vensters alleen op basis van de venstertitel te herkennen.
 |
| Wijs een knop op de taakbalk aan als u een voorbeeld van het bijbehorende venster wilt weergeven |
Als er te veel knoppen op de taakbalk komen te staan, worden de knoppen van een zelfde programma gegroepeerd tot een enkele knop, zoals in de volgende afbeelding is weergegeven. Klik op de knop als u een menu met de items in de groep wilt weergeven en selecteer vervolgens een item, zodat dit het actieve venster wordt. Zie De taakbalk (overzicht) voor meer informatie over knoppen op de taakbalk.
 |
| Drie Paint-vensters die op de taakbalk zijn gegroepeerd tot één knop |
ALT+TAB gebruiken. U kunt naar het vorige venster schakelen als u op ALT+TAB drukt en u kunt door alle geopende vensters en het bureaublad bladeren als u de toets ALT ingedrukt houdt en als u vervolgens herhaaldelijk op de toets TAB drukt. Laat de toets ALT los als u het geselecteerde venster wilt weergeven.
 |
| Tussen vensters schakelen met de toetsen ALT+TAB |
Windows Flip 3D gebruiken. Met Windows Flip 3D worden de vensters gerangschikt in een driedimensionale stapel,die u snel kunt doorbladeren. U kunt Flip 3D als volgt gebruiken:
| |
| | 1.
| Houd de Windows-logotoets en druk op TAB om Flip 3D te openen. | | 2.
| Druk terwijl u de toets met het Windows-logo houdt ingedrukt herhaaldelijk op de toets TAB of draai aan het muiswiel als u door de geopende vensters wilt bladeren. U kunt tevens de toetsen PIJL-RECHTS en PIJL-OMLAAG indrukken als u naar het volgende venster wilt bladeren of de toetsen PIJL-LINKS of PIJL-OMHOOG als u naar het vorige venster wilt bladeren. | | 3.
| Laat de toets met het Windows-logo los als u het bovenste venster in de stapel wilt weergeven. U kunt tevens op een willekeurig gedeelte van een venster in de stapel klikken als u het desbetreffende venster wilt weergeven. |
|
 |
| Tussen venster schakelen met Flip 3D |
Vensters automatisch schikken
Nadat u hebt geleerd hoe u vensters kunt verplaatsen en hoe u venster groter en kleiner kunt maken, kunt u uw vensters op elke gewenste wijze op uw bureaublad schikken. U kunt uw venster echter ook op een van de volgende drie manieren automatisch door Windows laten schikken: trapsgewijs, verticaal gestapeld of naast elkaar.
 |
| U kunt vensters trapsgewijs schikken (links), verticaal stapelen (midden) en naast elkaar plaatsen (rechts) |
Kies een van deze opties, klik vervolgens met de rechtermuisknop op een leeg gebied op de taakbalk en klik vervolgens op Vensters trapsgewijs schikken, Vensters gestapeld weergeven of Vensters naast elkaar weergeven.
Dialoogvensters
Een dialoogvenster is een speciaal type venster waarin een vraag wordt gesteld, dat u in staat stelt om opties voor het uitvoeren van een taak te selecteren of dat u van informatie voorziet. Dialoogvensters worden vaak weergegeven wanneer een programma of Windows een reactie van u nodig heeft als u wilt doorgaan.
 |
| Een dialoogvenster |
De meeste dialoogvensters kunnen in tegenstelling tot gewone vensters niet worden gemaximaliseerd of worden geminimaliseerd. De meeste dialoogvensters kunnen bovendien niet groter of kleiner worden gemaakt. U kunt dialoogvensters echter wel verplaatsen.
Taakbalk
Het gedeelte van het bureaublad dat de knop Start en knoppen voor alle geopende programma's bevat. De taakbalk bevindt zich standaard onder aan het bureaublad, maar u kunt deze verplaatsen.
Bureaublad
Het werkgebied op een computerscherm waarmee een fysiek bureaublad wordt gesimuleerd. Op het bureaublad kunt u pictogrammen rangschikken, zoals de Prullenbak en snelkoppelingen naar programma's, bestanden, mappen en diverse typen documenten, op dezelfde manier als waarop u fysieke voorwerpen op het blad van een bureau zou schikken.
Dialoogvenster
__elbasuer__
Dialoogvenster
Een klein venster met opties voor het uitvoeren van een taak. Wanneer u bijvoorbeeld voor het eerst een bestand opslaat, wordt een dialoogvenster weergeven met opties om het bestand een naam te geven en om een map te selecteren waarin u het bestand kunt opslaan.
Programma
Een reeks instructies die een computer gebruikt om een bepaalde taak uit te voeren, zoals een tekst bewerken, boekhouden of gegevens beheren. Wordt ook een toepassing genoemd.
Bestand
Een verzameling gegevens die onder één naam op een computer is opgeslagen. Een bestand kan een tekstdocument, een afbeelding, een programma, enzovoort, zijn. Bestanden hebben per definitie een bestandsextensie van drie letters ter aanduiding van het type bestand. Zo worden fotobestanden dikwijls opgeslagen in de indeling JPEG en krijgen dan de extensie .JPG.
Besturingssysteem
__elbasuer__
Besturingssysteem
Het computerprogramma dat alle andere programma's op de computer beheert. Het besturingssysteem slaat bestanden op, maakt het mogelijk gebruik te maken van programma's en coördineert het gebruik van computerhardware (zoals het toetsenbord en de muis).